Publications



(NRC next)

Over teveel woorden

NRC

Sophie van der Stap - Publications - Over teveel woorden

Ik doe mijn best en knijp m’n ogen samen. Nog beter, ik sluit ze even om ze dan weer, na een lange seconde, te openen. Maar het wil niet baten; het zijn echt twee blokfluiten die daar in een hoekje op de grond liggen.

Het is zondag, zomer en ‘t regent. De enige omstandigheden die mij kunnen overhalen tot een visite Palais de Tokyo, het museum voor contemporary art in Parijs. Ik heb altijd moeite gehad met eenzame theelepels die in witte ruimtes hangen met pretentieuze naambordjes (en als old time favourite: Untitled)alsof we het er allemaal over eens zijn dat die theelepel de hele ruimte in beslag neemt. Nee, ik heb concrete beelden nodig. Of pure esthetiek. Misschien omdat ik met woorden werk, of wellicht dat ik daarom met woorden werk. Woorden zijn heilig, het zijn losse puzzelstukjes die, in de juiste samenstelling, een stukje waarheid ontdekken. Woorden zijn het middel om een waarheid, groter en onbevattelijker dan de waarheid van een verhaallijn, te bemachtigen. Toch is er altijd die terugkerende twijfel of de waarheid wel te vangen is in woorden, dat gevoel dat je er net naast grijpt, omdat woorden slechts een poging zijn om dat wat erachter ligt - en woordeloos is - uit te dragen. Hoe rijk de taal ook is, woorden op zich zijn altijd een beperking: hoe kan het ook anders als dat wat erachter schuilgaat woordeloos is?

Ik werp nog een blik op de blokfluiten en ik moet denken aan onze vader des vaderlands, Willem van Oranje, en zijn forensisch onderzoekers die er vier jaar voor uit getrokken hebben om te achterhalen wat de beste man precies gezegd zou hebben toen hij stierf. Om maar even de plek van het woord aan te geven in ons denken.

 

Inmiddels weggelopen van de blokfluiten, sta ik nu voor een op haar zij liggende weegschaal met een stapel netjes opgevouwen witte lakens ernaast. Om de schoonheid van dit oeuvre d’art te voelen, mis ik artistiek oog en hart. Ik zie niet meer dan een op haar zij liggende weegschaal met een stapel netjes opgevouwen witte lakens ernaast, en denk: wat zijn die lakens mooi wit en netjes opgestapeld (ik heb een voorliefde voor nette stapeltjes), terwijl vriendin Saskia Noor van Imhoff – zelf kunstenaar van onbegrijpelijke installaties - een stapel lakens ziet die niet op gewicht beoordeeld wordt, maar op lengte (met het kwartslag draaien van de weegschaal is de weegschaal een ander meetinstrument geworden). Toegegeven, als je dat weet te bedenken, is de stapel lakens ineens veel meer dan een stapel lakens. Ik had het alleen nooit bedacht.

Het museum wordt steeds leuker. De voorheen van los zand aan elkaar hangende kunstobjecten veranderen in raadsels met een geheime boodschap die ik wil ontdekken. We komen aan in een nieuwe zaal: van links naar rechts opgesteld, als woorden in een zin, twee deurmatten in de vorm van een tomaat, twee gele waarschuwingsborden met daarop: caution! slippery floor en een mannetje dat uitglijdt en daarnaast een zwart rubberachtig klein object dat ergens in het midden ligt tussen een vaas en een speelgoedobject voor een hond. Alle objecten zijn tentoon gesteld op een sokkel in de vorm van een met de punt omlaag hangende driehoek. Ik zie twee deurmatten die ik zelf nooit zou uitkiezen, twee waarschuwingspaletten die op een snelweg thuishoren en een nader te beschouwen object. Saskia ziet verbinding en associatie: De drie vlakken van de driehoek raken elkaar aan: dit suggereert dat de losse objecten met elkaar verbonden zijn. De deurmatten zijn er om je voeten aan af te vegen / drogen, de waarschuwingsborden om te vermijden dat je uit zou kunnen glijden. Dan de tomaten: je zet er letterlijk je voeten op, en geplette tomaten zijn nou eenmaal glad. Over de vaas of het hondenspeeltje draaien mijn gedachten nog nachturen.

Leuk, de rebus is (bijna) opgelost, maar de hogere waarheid heeft mij nog niet in z’n goddelijke greep (mijn vriendin vindt het fantastisch). Ik ben zo geprogrammeerd om in woorden te denken dat ik vast houd aan woorden zoals een gewond dier aan het leven. En dan ook nog eens in zelfstandige naamwoorden, een grammaticale constructie die suggereert dat er geen sprake van beweging en verandering is, maar van een status quo. Neem het simpele woord rivier, in het mandarijn is dit een werkwoord dat na vertaling het dichtst bij ons werkwoord stromen komt. Of neem het complexere zelfstandig naamwoord ziel. Ook hier wordt de betekenis van het woordalleen al door de grammaticale constructie teruggebracht tot een ding, hoewel ziel in de constructie van een werkwoord heel andere beelden (en betekenissen) oproept. Maar hier in Palais de Tokyo is er geen (hogere) waarheid. Alles is verbonden, ofwel, alles kan op allerlei manieren uitgelegd worden, alles is dus waar, en wat blijft er dan over? Niet een enkele waarheid, maar een overkoepelende waaronder alle individuele waarheden evenveel waard zijn. In andere woorden: ik ben weer terug waar ik mijn bezoek begonnen was: los zand.

Dezelfde middag op de heuvel van Montmartre, in een atelier van een heel ander soort artiest,  word ik weer geconfronteerd met de waarde van woorden. De kunstenaar gebruikt 16e eeuwse manuscripten en boeken als materiaal. Knipt erin. Tekent erop. Transformeert het tot een eigen kunstwerk. Hoewel zijn kunst iets met me doet – het is esthetisch en daarom toegankelijk – moet ik toch even slikken: hij knipt dwars door de woorden heen: weg zorgvuldig samengestelde woorden. Weg waarheid. In de ogen van de kunstenaar is er echter alleen maar waarheid bijgekomen.

Zeg dat maar eens tegen de forensisch onderzoekers van de moord op Willem van Oranje in 1584. De laatste woorden van onze vader des vaderlands zouden zo vaderlijk geweest zijn: ‘Mon Dieu ayez pitie de mon âme; Mon Dieu ayez pitie de ce pauvre peuple. Maar, blijkt uit het forensisch onderzoek van onderzoeksbureau DelftTech, Willem van Oranje kan helemaal niks gezegd hebben, want Willem van Oranje was op slag dood.

Het onderzoek naar wat Willem van Oranje precies gezegd zou hebben, en vooral naar of hij wel iets gezegd zou kunnen hebben, heeft vier jaar geduurd. Maar wat zou het eigenlijk, wat Willem van Oranje precies gezegd heeft en of hij het in het Frans, Nederlands of Duits („Ach Gott, erbarme dich meiner und des armen Volcks”) gezegd zou hebben? Zei hij het een keer of twee keer achter elkaar? En was het: mijn God heb medelijden met het arme volk, met dit arme volk of met uw arme volk? Heeft hij het wel gezegd of niet? Zoveel speculaties (Hij kan niks gezegd hebben, want hij had net gegeten en na een maaltijd was hij altijd stomdronken) en zoveel twijfel (In Holland bleef niks geheim, als de Staten-Generaal dit hebben verzonnen om de vader des vaderlands in een beter daglicht te zetten bij zijn volk, had het uit moeten komen) en dan vier jaar onderzoek om de exacte woorden te achterhalen. Die drang, die behoefte aan controle en duidelijkheid. Die heerlijke controle en duidelijkheid.

Op de terugweg zie ik de blokfluiten weer liggen en even heb ik de sensatie voorbij de woorden te gaan: de gaatjes waar de lucht doorheen geblazen wordt, blijken verstopt met gips. De lucht, die gewoonlijk verandert in muziek, zit dus ‘vast’ en kan geen muziek meer worden. De met gips bewerkte blokfluiten zijn dus een poging om deze momentopname, de transformatie van lucht naar muziek, vast te grijpen. Wat een bevrijding om deze waarheid te kunnen vangen in een blokfluit met een beetje gips. Ik besteed er toch maar weer 1200 woorden aan.